Ga naar de inhoud

VISIE KINDEROPVANG 2029 | Kindontwikkeling of arbeidsmarktinstrument?

De stille keuze achter de nieuwe Wet Kinderopvang

Door Peter van Zijl

 

Een paar dagen na KIX Day blijft één ding hangen.

In mijn keynote stond ik kort stil bij de geschiedenis van de Nederlandse kinderopvang. Van bewaarscholen in de 18e eeuw, via de Wet op de Kindercentra van 1973 die het niet haalde, naar de Wet Kinderopvang van 2005 tot vandaag. Een uitstapje, dacht ik vooraf.

Maar het was het meest besproken onderdeel van de hele dag.

De spiegel met onze buurlanden

Wat mensen vooral raakte: de vergelijking met onze buurlanden.

Terwijl in Frankrijk, België en Engeland in de eerste helft van de 20e eeuw al pedagogiek en kinderpsychologie centraal stonden in de opvang van jonge kinderen, bleef Nederland lang achter. Kinderopvang werd hier gezien als een noodzakelijk kwaad — iets wat je deed als er geen andere optie was. Geen pedagogische visie. Geen nationaal kader. Geen erkenning van het kind als uitgangspunt.

Pas in 2005 kregen we eindelijk een landelijke wet. Maar ook die keuze vertelt een verhaal: de Wet Kinderopvang van 2005 was primair arbeidsmarktbeleid. Bedoeld om ouders te ondersteunen bij het combineren van werk en zorg voor kinderen. Niet om kinderen de beste start te geven. Niet om pedagogische kwaliteit landelijk te borgen.

Het kind was bijzaak. De arbeidsmarkt was de motor.

Twintig jaar later

We staan nu voor opnieuw een fundamentele herziening van de wet. En die herziening raakt iets diepers dan regelgeving of financiering. Dit is een moment van culturele keuze.

Sluiten we aan bij de visie op kindontwikkeling die onze buurlanden al decennialang als vertrekpunt nemen? Of herbevestigen we het Nederlandse paradigma van de kinderopvang als instrument van arbeidsmarktpolitiek?

De vraag klinkt abstract. Maar de consequenties zijn concreet. Ze bepalen hoe we kijken naar de professional op de groep, wat we van haar vragen, hoe we haar werk ondersteunen en waarderen. Ze bepalen hoe we kijken naar het kind dat iedere ochtend binnenloopt. En ze bepalen hoeveel ruimte er is voor het werk dat er echt toe doet: aandacht, nabijheid, relatie.

Wat dit vraagt van de sector

In de aanloop naar deze herziening spreken we dagelijks met bestuurders, managers en professionals in de kinderopvang. Wat we horen, is een sector die klaar is voor die culturele kanteling. Een sector die wil dat de pedagogisch professional wordt gezien voor wat ze is: een professional met een vak, niet een planner in een capaciteitsvraagstuk.

Maar die kanteling vraagt iets terug. Het vraagt dat we de administratieve druk wegnemen zodat er ruimte overblijft voor wat telt. Het vraagt dat technologie wérkt voor de professional, in plaats van náást haar. Het vraagt dat we als sector — en als organisaties — de keuze die de wetgever moet maken, alvast zelf maken.

Want welk paradigma de nieuwe wet ook kiest, één ding kunnen we niet langer voor ons uit schuiven: het kind centraal zetten begint niet bij Den Haag. Dat begint bij hoe we vandaag onze organisaties inrichten.

Peter van Zijl zet zich al 25 jaar met passie in voor de kinderopvang en werkt als Business Development Director Kinderopvang bij SDB. Hij spreekt en schrijft regelmatig over de toekomst van de kinderopvangsector in Nederland.

Terug naar blogartikelen